Datum: 26-05-2021

Hij is milieutechnoloog, heeft met bijna 200 gezinnen een coöperatieve Herenboerderij in een natuurgebied bij Rotterdam, loopt hard en maakt als distillateur zelf brandy, calvados, jenever en rum. En dan is Ron Bouwman ook nog manager toezicht en handhaving voor Milieu & Industrie bij de OD NZKG. Wat is zijn kijk op de Omgevingswet?

Als je Ron Bouwman – bijna 48 jaar – vraagt wie hij is, begint hij met te zeggen dat hij in Rotterdam woont en een echte Rotterdammer ís. “Zo voel ik me tenminste, niet lullen maar poetsen, daarin wijk ik misschien een beetje af van de gemiddelde Zaandammer,” vertelt hij lachend. “Ik hou van dingen die het leven een beetje spannend en duurzamer maken, daarom hebben we met ons gezin in een coöperatie een stuk landbouwgrond. We hebben samen met de andere gezinnen een boer in dienst die groenten, fruit en vlees aan ons levert.”

Klinkt goed!

“Dat is het ook. Ik hou van nieuwe dingen, van een leven lang leren en ben gek op techniek. Daarom besloot ik een vakopleiding tot distillateur te volgen in België. Dat soort oude ambachten kennen ze in Nederland niet meer, daarvoor moet je echt de grens over. Ik werk met zo’n groot koperen toestel waarbij je temperatuur en druk in de gaten moet houden, heerlijk. En als je met je handen werkt, spreek je een heel ander deel van je hersenen aan.”

Hoe zag je aanloop naar management eruit?

“Daar ben ik vrij snel ingerold, omdat ik in abstracties denk maar ook graag met mensen resultaten boek. Ik ben ooit begonnen bij de Milieudienst Rijnmond, maar werkte voor het eerst als manager bij de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond en daarna als districtscommandant in het industriegebied. Als zzp’er ben ik via waterschappen uiteindelijk bij de OD NZKG geland als teammanager Toezicht en Handhaving voor Milieu & Industrie.”

Wat houdt je werk in een notendop in?

“We doen het toezicht en de handhaving voor de grote bedrijven in onze regio. Dat voelt als thuiskomen want in Rotterdam begon mijn werkende leven dus ook tussen de grote industriële bedrijven. En die hebben soms een zetje nodig om in de vaart der volkeren mee te gaan.”

“Grote industriële bedrijven hebben soms een zetje nodig om in de vaart der volkeren mee te gaan”

Hoe bedoel je dat?

“Afgelopen zomer zat ik op de camping en had ik de nodige tijd voor reflectie. Ik las een boek van Jan Rotmans, Hoogleraar transitiekunde en duurzaamheid. We staan momenteel als mensheid voor een enorme opgave, namelijk onze maatschappij duurzaam inrichten. Dat is een onderwerp waar ik zeer gepassioneerd over ben. Rotmans stelt dat we niet geleidelijk veranderen, maar juist schoksgewijs in een transities naar een duurzame wereld toe bewegen. Dat geldt dus ook voor grote industriële bedrijven. Ik zie de Omgevingswet als een middel om die noodzakelijke transitie naar duurzaamheid teweeg te brengen.”

Heeft de Omgevingswet die potentie?

“Absoluut. Kijk, het proces van toezicht en handhaving is heel basaal en blijft in principe hetzelfde. Het staat omschreven in het algemene bestuursrecht en dat verandert niet, dus wij blijven juridisch gezien op dezelfde manier werken. En er geldt een heel strikte scheiding der machten die ervoor zorgt dat je niet je eigen vlees kunt keuren. De vergunningverlener verleent vergunningen, de toezichthouder controleert. Maar de Omgevingswet zegt wél tegen initiatiefnemers: ga beter samenwerken met de omgeving. En daar gaan wij als ook als toezichthouders op sturen.”

“Ik zie de Omgevingswet als een middel
om die noodzakelijke transitie naar duurzaamheid teweeg te brengen

Welke stap heeft de OD NZKG zelf te zetten?

“Als ik kijk naar onze directie Toezicht en Handhaving dan hebben we enorm praktische, deskundige mensen aan boord die sterk zijn in hun werk. 80% van ons werk is en blijft dat ook, controleren, bijsturen en ‘twee keer geel blijft rood’. Maar aan de voorkant, waar het beleid gemaakt wordt, daar moeten we als toezichthouders aanweziger zijn. Wij zijn natuurlijk de ogen en oren in het veld en met behulp van onze observaties kan provinciaal en gemeentelijk beleid slimmer worden.”

“Daarnaast vraagt de Omgevingswet om meer maatwerkgericht werken. Het kan straks best zo zijn dat iets bij het ene bedrijf goed is bij het andere niet voldoet, afhankelijk de lokale situatie. Om dat goed te kunnen doen, moeten we informatiegerichter werken en in de praktijk maatwerk mogelijk maken.”

Kun je een voorbeeld geven?

“Stel, je bent een gemeente die bekendstaat om zijn koffiefabrieken. Dan kan dit in het geurbeleid ruim worden meegenomen. Een koffiebrander in een andere gemeente heeft dan wellicht strengere geurnormen. Onze toezichthouder moet hier rekening mee houden. Minder uniforme regels dus. Dat geldt ook als een bedrijf op een andere, eigen manier aan normen wil voldoen. Op een wijze die beter bij het bedrijf of bij zijn omgeving past. Dat vraagt om meer meedenken van de toezichthouder zonder de geest van de norm uit het oog te verliezen.”

“De Omgevingswet vraagt ook om continue interactie tussen makers van beleid en uitvoerders van vergunningen en toezicht. Vroeger was het proces nog lineair: de beleidsmaker maakt beleid, de vergunningverlener vertaalde dit naar een vergunning en de toezichthouder controleerde. De wereld van de toezichthouder gaat dus groter worden, waarbij niet alleen de regel maar ook het uiteindelijke doel ervan van belang is”

“Ik ben een optimist, we zitten nu even in een schoksgewijze fase,
daarna wordt het weer rustig

Is dit een voorbeeld van samenlevingsgericht werken?

“Zeker, enerzijds willen we maatschappelijke duurzaamheidsdoelen realiseren, ook als ze nog niet zijn vastgelegd in beleid of de vergunning. Denk bijvoorbeeld aan het mogelijk maken van bedrijven die de energietransities en de circulaire economie waarmaken. Dat vraagt om andere sporen dan alleen de juridische.”

“Anderzijds moeten we de bedrijven en hun effect op hun omgeving beschouwen. Als strengere normen nodig zijn voor een goede leefbaarheid, dan moet de toezichthouder dit gesprek aangaan en ook vooruitlopen op aanscherping van het beleid. Denk bijvoorbeeld aan nieuwe energievormen, zoals grote buurtbatterijen, waarvan de veiligheidsrisico’s nog niet in normen zijn vastgelegd.”

“Voor de toezichthouder dus een flinke verandering, maar het maakt ons werk ook leuker. De transitie komt er sowieso, in die zin hoeven ook wij alleen maar in die zogenaamde vaart der volkeren mee te gaan. Ik ben een optimist, we zitten nu even in een schoksgewijze fase, daarna wordt het weer rustig.”

Dit is een publicatie van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied in de aanloop naar de Omgevingswet

Nieuwsbrief

Wilt u regelmatig op de hoogte worden gebracht van onze werkzaamheden en projecten? Meld u dan aan voor onze nieuwsbrief.
Stem