Datum: 18-08-2020

Een interview met Patricia Palmen, coördinator vergunningverlening, toezicht en handhaving bij de VNG. Ze ondersteunt gemeenten bij de invoering van de Omgevingswet, samen met de regionale implementatiecoaches.

En, hoe staan de regio’s ervoor in aanloop naar de Omgevingswet?

“In sommige regio’s loopt het al heel aardig, in sommige minder. Je ziet wel overal dat de onderlinge nabijheid altijd beter kan. Gemeenten zien omgevingsdiensten als een externe dienst, maar je zou willen dat ze het als hun eigen expertdienst gaan zien. En vice versa moeten de diensten ook de nabijheid willen organiseren door maatwerk te willen bieden.”

“Gemeenten en Omgevingsdiensten zijn soms net twee verliefde pubers.”

Hoe zou je deze dynamiek omschrijven?

“Ik zie het als twee pubers die verliefd op elkaar zijn maar die het best lastig vinden om het aan elkaar te vertellen. Ze moeten beseffen dat ze elkaar echt keihard nodig hebben. En dat je daar open en transparant en eerlijk over moet kunnen zijn.”

Dat klinkt best eenvoudig, toch?

“Ja en nee. Ik zie dat meer technocratische discussies over opdrachtgeverschap en opdrachtnemerschap het soms moeilijk maken om de samenwerking nóg steviger te bestendigen. Dat de benadering te blauw is. Terwijl de geest van de Omgevingswet juist is om vragen te beantwoorden als ‘wat willen we nou?’, ‘wat hebben we nodig om de wet goed te organiseren?’”

Waar te beginnen?

“Begin met de stap dat je erkent dat je elkaar keihard nodig hebt om de Omgevingswet uit te voeren. Dat het een gezamenlijk proces is op strategisch, tactisch en operationeel niveau. En kijk ook wie de verbindende factor kan zijn, dat is nu nog wat onduidelijk. Dat is van oudsher ook een moeilijke situatie hoor. Een grote gemeente, de provincie, een omgevingsdienst? Als we over de kwetsbaarheid van een leidende trekkersrol heen stappen, zijn we een heel eind.”

Waar ligt de sleutel?

“Wie heeft mensen ter beschikking óm te verbinden en leiden? Dat helpt. Een Regionaal Implementatie Ondersteuningscoach (RIO) kan hierin ondersteunen, zonder dat die de rol van trekker overneemt. Heel praktisch, kijk om te beginnen eens wie in jouw organisatie een goede facilitator is. Iemand die handig is met MS Teams, die organiseert en verbindt. Maak daar iemand voor vrij. Corona blijft nog wel even dus het is denk ik de investering waard. Met hulp van zo’n verbindende factor kun je slimmer en doelmatiger met elkaar gaan samenwerken.”

Hoe ziet die samenwerking er idealiter uit?

“Iedereen is fan van the big 8: aan de bovenkant beleid en aan de onderkant uitvoering. Er is altijd gezegd: die zijn strikt gescheiden van elkaar. Maar dat onderscheid moet nou juist niet té strikt zijn. Want voor beleid heb je goede input nodig van onderop, en vice versa. Als je dit maar één keer per jaar met elkaar afstemt, wordt het een kunstje. Dus hoe maak je er met elkaar een vloeiend proces van waarin je continu zigzaggend communiceert? Zonder afbreuk te doen aan hard optreden zoals het een OD betaamt, in die gevallen waar het nodig is Dat moet je van tevoren heel goed met elkaar bespreken. Want uiteraard zal een toezichthouder onafhankelijk in individuele gevallen moeten kunnen optreden. Dat kan als je vooraf goed met elkaar kaders hebt afgesproken, en die ook aan de hand van voorbeeld-casussen hebt beproefd.”

Heb je ook advies aan de omgevingsdiensten?

“Naast de samenwerking opzoeken raad ik aan om intern te kijken welke vaardigheden je nodig hebt om de Omgevingswet uit te voeren. Toezichthouders, handhavers en vergunningverleners moeten kunnen meedenken met initiatiefnemers én het vergt ook veel inhoudelijke capaciteiten. Je moet bijvoorbeeld heel analytisch kunnen kijken naar allerlei situaties. Bij ‘bewuste’ overtreders volstaat een checklist misschien en wil je dat je toezichthouders onafhankelijk conform de vooraf vastgestelde naleefstrategie optreden.

“Maar nieuwe initiatieven vragen meer om een ‘casemanagerrol’, omdat niet alles in één vergunning staat. Zowel bij omgevingsdiensten als gemeenten trouwens. Je zult met elkaar moeten groeien in hoe je met bepaalde situaties omgaat. Let wel: het is zeker niet zo dat met de Omgevingswet alles kan. Het is zoeken naar een balans van snel helder en transparant zijn naar je burgers over wat wel en niet kan conform de regels en het bieden van kansen als dat past in de Omgevingsvisie en Omgevingsplan van de gemeente.”

Welke vragen moeten we onszelf stellen vind je?

“Welke dienstverlening wil ik bieden om naleving te bevorderen? Wat voor type toezichthouder wil ik waar hebben? Naar inhoud of gebied? Hoe ga je om met het Omgevingsoverleg? Hoe deel ik data en informatie? Mijn ervaring is dat er puur door dingen te doen en uit te proberen er scherpte in komt. Leren door te doen. Daarom bieden we in de regio’s casusgerichte werksessies aan.”

En hoe pakt dat uit?

“Ijsselland is één van de regio’s die bijvoorbeeld experimenteert met Omgevingstafel. Zij doen dat echt regionaal en nu blijkt dat ze moeite hebben om regionale casussen te krijgen. Dus misschien is dat net te ver weg georganiseerd. Maar daar kom je dus alleen achter door het te gaan doen. Dát promoten we, ga het doen en uitproberen.”

Hoe kun je dat nog meer doen?

“In de regio Arnhem maken ze nu een concrete beschikking en daar blijkt dat het toch best wel lastig is om op papier te zetten. Dat heeft een sterk lerend effect. Net als met tennis. Op tv lijkt het zo makkelijk maar in het echt blijkt dat anders te zijn. Dus ga samen oefenen en pak door. Betrek ook je juristen erbij en zoek de balans tussen juridisch versus klantvriendelijk.”

Zit corona niet in de weg nu we juist meer moeten samenwerken?

“Ik zie juist dat online sessies een veel breder gezelschap trekken. Dat ook handhavers en toezichthouders aanschuiven. En waar je in een live werksessie misschien snel naast degene gaat zitten die je kent, zit je online ineens ‘naast’ mensen die je nog niet kende. Wat dat betreft brengt corona juist nieuwe kansen.”